Koorkring Zeeuws-Vlaanderen
Zing van de Heer een nieuw lied, heel de aarde, zing van de Heer.
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

De openingszang

Als medewerkers aan de verschillende liturgische vieringen is het wel noodzakelijk om enige kennis  te hebben van de opbouw van de viering waaraan we bijvoorbeeld als koor, dirigent of organist onze medewerking verlenen. In de categorie 'Zang in de liturgie' brengen wij de verschillende momenten onder de aandacht die door een koor gezongen kunnen worden. In de eerste aflevering 'de openingszang'.

 

 

 

De Openingszang                                                                                                                                                            

Om liturgie te vieren komen mensen samen. We onderbreken daartoe onze alledaagse bezigheden, gaan van huis en verzamelen ons. Het zelfde doen we wanneer we naar de bioscoop gaan, naar een theater of naar een sportwedstrijd… Toch is er een groot verschil. In het theater en dergelijke wordt er van ons niet verwacht dat we meedoen. We mogen er als individu toekijken en luisteren. In de kerk is dat anders. Liturgie vieren is iets van allen samen. Liturgie veronderstelt een gemeenschap en daarom is het nodig dat er een relatie tot stand gebracht wordt tussen de gelovigen die samenkomen, hoe verschillend we ook zijn naar leeftijd, betrokkenheid, levenssituatie en achtergrond. Er zal eerst een gemeenschap moeten worden gevormd. En hoe kan dat beter, dan door samen te zingen. Samen zingen is gemeenschapstichtend. Door samen te zingen met anderen worden we opgenomen in het geheel, komen we in de stemming. Zeker ook voor de openingszang van een liturgieviering geldt: 'Een goed begin is het halve werk!' Door de openingszang worden we opweg gezet, we krijgen een eerste indruk hoe de inhoud van de viering verder zal zijn. 

 

De functie van de openingszang

In de inleiding op het Altaarmissaal lezen we dat het gezang aan het begin van de viering een vierledige functie heeft. Het opent de viering (1), maar heeft daarnaast ook tot taak 'de eenheid van de aanwezigen te bevorderen' (2). Verder in de inleiding lezen we: 'Dit gezang (dus de openingszang) wordt afwisselend uitgevoerd door koor en volk of door voorzanger en volk, of in het geheel door het volk of door het koor alleen'. In deze opsomming van mogelijkheden is er dus duidelijk sprake van een gradatie van ideaal naar minder ideaal. Juist omdat de openingszang de eenheid, het gemeenschapsgevoel moet bevorderen wordt de deelname van allen (koor en allen) bijna als vanzelfsprekend verondersteld. Dat het koor, met uitsluiting van de deelname van de aanwezigen, de openingszang voor zijn rekening neemt, is - liturgisch gezien - bijna een noodoplossing. Natuurlijk zal de dirigent, in overleg met de voorganger, bij de keuze van de openingszang er rekening mee moeten houden, dat alle aanwezigen ook metterdaad kunnen meezingen. De keuze zal dan dus vallen op een niet te moeilijk en voldoende bekend lied/gezang. Een totaal nieuw gezang, al past het nog zo goed is hier aan het begin van de samenkomst niet op zijn plaats. Nog een derde taak is weggelegd voor de openingszang. Zij moet de aanwezigen inleiden in het mysterie van de liturgische tijd of van het feest(3). De inhoud van het gezang op deze plaats in de viering zal nog algemeen van aard zijn. Het zal het samenkomen zelf bezingen of de betreffende liturgische tijd, de thematiek van het feest of viering alvast wat aantippen of inkleuren. Tenslotte beoogt de openingszang de processie van de priester (voorganger) en assistenten te begeleiden (4).

 

 

De geschiedenis van de openingszang

In het begin kende de liturgische vieringen geen intrede- of openingszang. Heel begrijpelijk ook als je bedenkt dat de vroege christenen samen kwamen ‘in één of ander huis’, de huiskerk. Maar ook toen de 'basilica' als kerkgebouw in gebruik raakte, kende men de eerste decennia nog geen gezongen begin. In stilte trok de voorganger met zijn assistenten van achter naar voren, zoals we dat nu nog kennen van de Goede Vrijdagliturgie. Toch ontstaat al spoedig de gewoonte om de plechtige intocht te begeleiden met zang. Onduidelijk is of de aanwezige volk in die tijd deel had aan de openingszang. Zeker is wel dat het in de zesde eeuw - tijdens de paasliturgie in Rome - een aangelegenheid is van koor en cantores. Er wordt alternerend (vers voor vers door twee groepen) een psalm gezongen, afgewisseld met een antifoon. Wanneer de pontifex met zijn assistenten bij het altaar aankomt, geeft hij een teken aan het koor, om de zang met het ‘Gloria Patri’ te besluiten.

In de achtste eeuw ontstaat er een wijziging in de vormgeving van het Introïtus, de intredezang. Enerzijds krijgt de antifoon een steeds rijkere melodie, anderzijds treedt er een verandering op in het kerkgebouw. Men gaat de sacristie niet meer bij de ingang, maar bij de directe nabijheid van het priesterkoor bouwen. Zodoende neemt de intocht minder tijd in beslag en zo komt men ertoe de psalm tot een enkel vers te reduceren. Eerst wordt de antifoon gezongen, dan het psalmvers en het Gloria Patri, daarna wordt de antifoon nogmaals herhaald. Deze vorm van intredezang is ons vanuit het Gregoriaans bekend tot op de dag van vandaag. Wel tekent het vernieuwe Graduale Romanum daarbij aan, dat er zoveel psalmverzen gezongen kunnen worden en dat de antifoon zo dikwijls wordt herhaald als nodig is, om de intocht te begeleiden. Op de afbeelding ziet u de notatie van de Introïtus Signum Magnum - de intredezang op het Hoogfeest van Maria ten Hemelopneming (15 augustus). Klik hier om de Intoïtus te beluisteren.

 

De openingszang in het Nederlands

In een viering met Gregoriaanse zang is de tekst van het Introïtus – meer of minder – strikt voorgeschreven, in de liturgie in de volkstaal ligt de keuze veel vrijer. Ook wat de vorm betreft van het openingsgezang zijn er verschillende mogelijkheden, waaruit men kan kiezen.

a. De liedvorm

Een van de bekendste genres binnen de liturgische muziek is de liedvorm. Een lied is een gezang, dat uit meerdere strofen of coupletten bestaat. Ieder couplet heeft eenzelfde aantal regels en de regels van de verschillende coupletten corresponderen met elkaar wat betreft het metrum en het aantal lettergrepen. Heel wat liederen lenen zich er uitstekend voor, om massaal te worden gezongen. Met name deze liederen zijn heel geschikt als openingszang. Wanneer het volk aan de openingszang moet kunnen deelnemen, wil nog niet zeggen, dat het volk heel het lied alleen moet kunnen zingen. Bij een refreinlied zingt het koor of de voorzanger de strofen, allen stemmen dan in bij het refrein. Maar ook bij een strofelied is het zaak, om voor wat afwisseling te zorgen, zo bijvoorbeeld in afwisseling: 

  • strofe 1     eenstemmig koor
  • strofe 2     allen
  • strofe 3     de damesstemmen van het koor
  • strofe 4     allen
  • strofe 5     de heren van het koor of meerstemmig 
  • strofe 6     allen, mogelijk met meerstemmig koor.

 

b. de beurtzang

Bij de plechtigere intrede is de beurtzangvorm als begeleiding van de processie zeer geschikt. In tegenstelling tot het lied is de beurtzang een zogenaamde open vorm. Koor en/of cantor zingen steeds afwisselende  tekstgedeelten waarbij de melodie zich aanpast. Het volk participeert in de zang door het steeds terugkerend refrein mee te zingen. Veelal zal de tekst van deze beurtzangen ontleend zijn aan de psalmen: 24, 42, 91, 96, 121, 126 en 128. Andere psalmen hebben dan weer een sterke verbinding met een bepaald feest of tijd: 25I, 19I en 85 voor de Advent, 98 voor de Kersttijd. Behalve de teksten uit de psalmen kunnen ook fragmenten uit de profeten of evangelie genomen worden: 'Heden zult gij zijn glorie aanschouwen' (klik hier voor het luisterfragment van dit lied)  en 'Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God'.

 

c. andere mogelijkheden

Met de lied- en beurtzangvormen zijn de mogelijkheden om een viering te openen nog niet uitgeput. Bij een wat ingetogen meditatieve viering kan men zich goed voorstellen dat de voorganger en zijn assistenten in stilte binnen komen. Op het priesterkoor aangekomen heft de voorganger (of de cantor) een aantal openingsacclamatie aan en zingt deze in afwisseling met koor en volk. Concreet kunnen we dan denken aan 'Onze hulp is in de naam van de Heer'. Ook bij de openingsacclamaties die Jan Valkestijn componeerde is er sprake van een samenspel tussen voorganger (cantor) en volk.

Niet eucharistievieringen tenslotte hebben weer hun eigen mogelijkheden. Men kan een Woord- of een Gebedsdienst natuurlijk met een lied beginnen. Specifiek - met name voor een Gebedsdienst - is het zogenaamde openingsvers. Bekend is uit het Abdijboek het openingsvers 'Wees hier aanwezig'. Op tekst van Huub Oosterhuis, en van muziek voorzien door Tom Löwenthal, is het lied met dezelfde titel. Dit lied is ook uitermate geschikt als openingslied. Klik hier om dit lied te beluisteren. 

 

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Vul deze captcha in
Dit is een verplicht veld